--- Bobby Haarms-week ---

Maandag 8 juni 2009

'De haren strak gekamd'

Bron: Tussen hemel en hok

Stadion De Meer werd recht tegenover het huis gebouwd waar Bobby Haarms geboren was: Middenweg 210. Bobby Haarms kwam ter wereld op 8 maart 1934, anderhalve maand later werd de eerste paal van het stadion geslagen. Hij groeide op met het uitzicht op dat stenen stadion. Vanuit het raam van het ouderlijk huis zag hij, zes jaar oud, zijn helden trainen. Als hij Gerrit Fischer, Rinus Bijl, Piet van Reenen, Wim Anderiesen, Gerrit Keizer, Jan Potharst, Jan Schubert, Joop Stoffelen en Piet Leemhuis bezig zag op dat trainingsveld voor het stadion, droomde hij ervan daar ooit zelf te lopen en zijn naam bij de opstelling in het programmaboekje aan te treffen. Lid worden van Ajax was ook toen al een jongensdroom. Bobby Haarms wilde niets liever, maar moest voorlopig geduld hebben. Pas als je twaalf was, kon je lid worden van een voetbalclub. Tot die tijd diende hij zich tevreden te stellen met voetbal op straat.

De grasvelden in de plantsoenen mochten jammer genoeg niet worden betreden. Al helemaal niet om erop te voetballen. Maar soms was de aantrekkingskracht van het gras te groot. ‘Op een dag liep ik met mijn vriend over het gras. Een veldwachter hield ons staande. We kregen prompt een bekeuring. Ter plekke werd bovendien bepaald dat we woensdagmiddag na schooltijd op bureau Marnixstraat strafregels dienden te komen schrijven. Zo ging dat vroeger. Maar de tijden zijn veranderd. Nu mag het wel, op het gras voetballen, en nu doen ze het niet.’

Op de arm van zijn vader had hij als vierjarige zijn eerste wedstrijden van Ajax bezocht. Twee jaar later stond hij voor een dubbeltje op de jongenstribune en speelde hij, als een half uur na het laatste fluitsignaal de ergste drukte voorbij was, samen met zijn vriendjes de hele wedstrijd na op de Middenweg. Jassen maakten de doelen en hij was Piet Leemhuis, de kleine kanthalf die hij altijd als voorbeeld zou houden.

Ajax voetbalde in de donkere tijden die inmiddels aangebroken waren zo lang mogelijk door, maar moest het al na twee maanden stellen zonder de Engelse trainer Jack Reynolds, die werd opgepakt en geïnterneerd. Ajax moest het zich bovendien laten welgevallen dat De Meer werd misbruikt als kazerne voor Duitse soldaten. Waar nu de toegangshekken staan, stond toen een wachthuisje van de Wehrmacht. Op het trainingsveld werden overdag de troepen gedrild voor het oorlogsfront, ’s avonds de Ajacieden voor de volgende wedstrijd. Vader Haarms was deegmaker en kon nog wel eens een brood meesmokkelen. Daardoor viel het in het gezin met de honger lange tijd nogal mee, maar in de hongerwinter bestond het maal toch voornamelijk uit de suikerbietenpulp van de gaarkeuken. ’s Nachts mocht de tienjarige Bobby Haarms met zijn vader mee om hout te kappen. Dat deden zij in ‘het spookbos’, zoals hij en zijn vriendjes de woestenij naast het stadion noemden die later nog eens ‘het hoge veld’ van VVGA zou worden. Dat waren linke ondernemingen, met die Duitsers pal ernaast in het stadion. Hij vond het een opwindende tijd. Toen het spookbos kaal was, begonnen ze aan de cokes uit de waterzuiveringsinstallatie. ’s Avonds las zijn moeder bij het fietslicht Het Parool of De Waarheid voor, de verzetskranten, die van hand tot hand gingen in het socialistische Betondorp.

Overdag ging op straat, waar geen auto meer reed, het voetbal gewoon door. ‘Soms speelden we op klompen, maar die gingen natuurlijk altijd kapot. Meestal voetbalden we in de oorlog op blote voeten of met twee paar sokken over elkaar heen. Een echte bal hadden we niet, dus jatten we tennisballen bij VVGA. Of we weekten kranten in zout water waar we een stukgeknipte binnenband omheen bonden. Daar werden we steeds handiger in. Je moest wel, als je tenminste per sé wilde voetballen. En dat wilden we.’

De reden waarom Bobby Haarms op de christelijke Groen van Prinstererschool zat, was niet zozeer de godsvrucht van de Nederlands hervormde familie Haarms als wel het feit dat de school als ‘net’ bekend stond. De Groen van Prinsterer deed, in tegenstelling tot de twee openbare lagere scholen in de buurt, niet aan schoolvoetbal. In dit opzicht heeft Bobby Haarms het moeilijker gehad dan Johan Cruijff: toen Jopie dertien jaar later dezelfde school bezocht, was deze zoveel soepeler in de leer geworden dat er wel een voetbalelftal – in eigen tenue: groen shirt, oranje kraagje – aan de schoolwedstrijden deelnam.

In de tijd van Bobby haarms was de Groen van Prinsterer nog een echte school met de bijbel. Op zondag moesten de leerlingen naar de kinderkerk in de gymzaal. Van de vijf centen die hij meekreeg voor de collectezak, werden er twee gebruikt om een ijsje te kopen bij de ijsman op de hoek. En als de man met de zure bommen langskwam, roepend ‘Uit de rooie wijn!’, ging het geld naar hem. De jonge Bobby Haarms vond de bijbelverhalen wel boeiend, maar het was toch vooral spijtig dat God kennelijk iets tegen voetbal had. ‘Eén keer per jaar moesten de twee openbare scholen tegen elkaar in de schoolcompetitie. Dan keken wij, de christelijke schlemielen, jaloers naar de fanfare die door de straten van Betondorp trok. Bij ons zagen ze meer in korfbal. Dat bleek niet echt een sport voor mij. Als jongen mocht je een meisje de bal niet afpakken. Ik werd binnen vijf minuten het veld uitgestuurd.’

Het zou nog heel lang duren eer Bobby Haarms een tweede kans kreeg om zich in de korfbalsport verdienstelijk te maken. Al zijn vriendjes werden lid van TWM, Tuindorp Watergraafsmeer; alleen Bobby Haarms had zijn zinnen gezet op Ajax. Zoveel hij kon bracht hij zijn tijd door aan de rand van het trainingsveld. Daar was de tot ieders opluchting teruggekeerde Jack Reynolds weer werkzaam als hoofdtrainer. Bobby Haarms viste de in de sloot geraakte ballen op en schoot ze zo zuiver mogelijk terug. Hij glom van trots als de trainer hem met dat zware Briste accent bedankte en zei: ‘Jaaj wordt vast een very good foetballer.’ Maar eerst moest hij nog maar zien lid te worden.

Zoals tegenwoordig nog steeds het geval is, gingen ook toen aan het lidmaatschap van Ajax drie proefwedstrijden vooraf. Bobby Haarms speelde die wedstrijden samen met Eddy Pieters Graafland, die twee maanden ouder was. In zijn eerste proefwedstrijd stond hij middenvoor, in de tweede rechtshalf. De derde werd bijna een drama. ‘Die dag was ik brutaal geweest en voor straf had mijn vader mijn kicksen in de kast achter slot en grendel gezet. Normaal deed die dienst als veilige opbergplaats voor het fruit, dat moest worden afgeschermd van vier hongerige zonen, maar nu stond er iets in wat nog veel waardevoller was. Ik huilde en jammerde omdat ik vanuit het raam kon zien dat de anderen al op het veld liepen. Ik dacht echt dat ik hierdoor niet bij Ajax zou komen. Zeker twintig minuten heb ik staan janken voor die kast. Of het nou kwam doordat ik zoveel verdriet had, weet ik niet, maar om tien voor zeven deed mijn vader goddank de kastdeur van het slot. Nog net op tijd stond ik op het veld.’

‘Mijn vader had de schoenen via een kennis tweedehands gekocht. Ze waren twee maten te groot, maar hij zei: ‘Daar groei je nog wel in, jongen.’ Aan die waarheid heeft hij altijd vastgehouden. Ik speelde mijn eerste echte voetbaljaren op schoenen die mij veel te groot waren. Toen ik ze zelf van mijn spaargeld kon betalen, stapte ik over op de beroemde Manfields. Dat waren voetbalschoenen die door Reynolds zelf uit Engeland werden gehaald. Ze kwamen tot boven de enkel. De veters gingen om de wreef en achterlangs om de enkel. Ze werden altijd een maat te klein gekocht, omdat het leer moest worden uitgelopen. Je liep zoveel mogelijk door de plassen, want dan gingen ze sneller naar je voeten staan. En thuis ging je met je schoenen aan in een bak met lauw water zitten.’

Eerste elftalspelers hadden het gemakkelijker met nieuw schoeisel. Het kon gebeuren dat er in de kleedkamer een paar nieuwe schoenen klaarstond en Jan Potharst kwam vragen of Bobby Haarms ze maar even wilde inlopen. ‘Graag, meneer Potharst,’ antwoordde junior Haarms om vervolgens een week met kromme tenen te lopen. ‘Maar trots dat je was als hij er later in de wedstrijd op speelde.’In het ballenhok stond een leest, waarop de spelers eigenhandig de van drie spijkers voorziene noppen in hun Manfields tikten, telkens opnieuw als ze er weer eens uit gevallen waren. Na verloop van tijd, als een nop te vaak op dezelfde plaats was ingetikt, moesten de gaatjes worden opgevuld met luciferhoutjes. Om niet voortdurend last te hebben van de spijkertjes werden de vermaarde Bata-inlegzooltjes aangebracht.

Bobby Haarms speelde zijn laatste proefwedstrijd linksbuiten en werd aangenomen als speler. Maar daarmee was hij er nog helemaal niet. Niet lang na die derde wedstrijd gleed op Middenweg 210 een uitnodiging door de brievenbus, voor een gesprek met de ballotagecommissie. Stijf van de zenuwen, in zijn netste kleren en met de haren strak gekamd, ging hij erheen, in gezelschap van zijn ouders. ‘Ik kreeg een prevelementje over rechten en plichten: netjes zijn op je spullen, luisteren naar de leiding en op tijd op de training zijn. Het was een fluitje van een cent, maar je bent toch bloednerveus. Als ik, na als voetballer te zijn aangenomen, niet door die ballotage was gekomen, was dat een enorme ramp voor me geweest. Toen al kon ik me niet voorstellen dat ik naar een andere club zou gaan dan Ajax.’

Vanaf aspiranten 5 werd Bobby Haarms getraind door Jack Reynolds, bij wie discipline op de eerste plaats kwam. Wat dat betekende, ervoer hij op de eerste de beste training. Nadat Reynolds op zijn fluitje had geblazen, ten teken dat iedereen de bal moest laten liggen, had hij de euvele moed nog een keer zijn voet tegen de bal te zetten. Hij kon meteen gaan douchen. De Brit zou hem niet vaak meer hoeven corrigeren op het punt van discipline en inzet. Zo vaak hij kon speelde hij behalve in zijn eigen elftal mee in andere teams. Op zaterdagavond stond zijn moeder zijn besmeurde shirt, broek en kousen op het wasbord te boenen, want wilde zoonlief de volgende dag nog een wedstrijdje op invitatie meepikken, dan diende hij verse spullen bij zich te hebben. ‘Hé, jaaj koekebakkejrr…, wejk jaai soms baai de KLM?’ riep Reynolds telkens als een speler de bal hoog over schoot. Bobby Haarms leerde veel van de Britse trainer, die in 1915 voor het eerst werkzaam was en zou uitgroeien tot een van de monumenten van de club. ‘Als voetballer was ik net als alle andere voetballers. Je probeert altijd van alles uit en je bent eigenwijs. Doordat ik zelf ook zo ben geweest, wist ik later als trainer precies hoe ik die gasten moest aanpakken: rechtlijnig, eerlijk en hard – zoals Reynolds mij had aangepakt.’

Bobby Haarms met zijn moeder in de achtertuin van het huis aan de Middenweg

Op 8-jarige leeftijd houdt Bobby Haarms de bal hoog bij Voorland naast het Ajax-stadion

Bobby Haarms als kleine jongen achter een draaischijf op de ambachtsschool

Bobby Haarms in de Ajax-jeugd. Bobby zit uiterst rechts op de foto.

De A1-junioren van Ajax. Bobby Haarms zit tweede van links. Keeper is Eddy Pieters Graafland

<<< Terug naar Speelschema 2009